Woningbouw · Brondatum:

EIB: bestaande voorraad lost woningnood niet op zonder nieuwbouw

In het kort

Transformatie, woningsplitsing en optoppen leveren volgens het EIB nuttige maar te beperkte aantallen op om de woningnood zonder nieuwbouw op te lossen.

Bestaande appartementen met nieuwbouw en bouwkranen op de achtergrond
Illustratief beeld van bestaande woningvoorraad en aanvullende nieuwbouw.

De bestaande woningvoorraad kan de woningnood niet zelfstandig oplossen. Volgens het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) blijven transformatie, woningsplitsing en optoppen waardevolle aanvullingen, maar zijn de gerealiseerde aantallen te klein om nieuwbouw te vervangen.

Wat ziet het EIB in de cijfers?

Het aantal transformatiewoningen piekte in 2018 en 2019 boven 12.000 per jaar. Voor 2025 schat het EIB de productie op ruim 6.500 woningen. Een verklaring is dat veel relatief eenvoudig te transformeren gebouwen inmiddels zijn benut en dat leegstand niet automatisch betekent dat een pand technisch, juridisch en financieel geschikt is voor wonen.

Bij optoppen gaat het volgens een EIB-bewerking van CBS-cijfers naar verwachting om ongeveer 500 tot 600 woningen per jaar. Dat ligt ver onder het theoretische potentieel van circa 100.000 woningen tot 2030 dat in andere verkenningen wordt genoemd. Bewonersbelangen, constructieve geschiktheid, kosten en renovatiemomenten beperken wat daadwerkelijk uitvoerbaar is.

Zijn splitsen en optoppen dan onbelangrijk?

Nee. Op geschikte locaties en bij passende gebouwen kunnen deze ingrepen extra woningen opleveren en bestaand stedelijk gebied beter benutten. De kern van het EIB-onderzoek is dat theoretisch potentieel niet gelijkstaat aan realiseerbare productie. Beleidsdoelen moeten daarom worden getoetst aan transacties, draagvlak, techniek, procedures en financiële haalbaarheid.

Wat betekent dit voor het woningbouwbeleid?

De studie pleit ervoor nieuwbouw als hoofdroute te blijven behandelen. Beter benutten van de bestaande voorraad kan de opgave ondersteunen, maar voorkomt niet dat nieuwe locaties en bouwcapaciteit nodig zijn. Voor grond- en gebiedsontwikkeling betekent dit dat locatiekeuzes en planvorming niet kunnen worden uitgesteld in de verwachting dat verbouw het tekort opvangt.

Bronnen

Lees ook welke landelijke versnelling het kabinet inzet.